Mijn vriend Georges heeft zijn bijnaam ‘Veldwachter’ gekregen omdat hij tot het kleurrijke en sympathieke korps van de veldwachters behoort. Op een zondagmiddag komt een stralende Veldwachter met zijn onafscheidelijke teamgenoot Gaby aanzetten: ze hebben besloten aan een plaatselijk petanquetoernooi mee te doen, twee spelers tegen twee met elk drie boules.’ De loting is geschied!’ brullen de luidsprekers, door sommigen hier ook wel grootsprekers genoemd. Iedereen komt bij elkaar en de partijen beginnen. In de eerste ronde moet de Veldwachter schieten. Hij stapt de cirkel in, gaat zorgvuldig staan en klemt zijn tanden krampachtig op elkaar, iets wat hij altijd doet als hij gaat schieten. Een speler met de bijnaam ‘de Kapper’ heeft hem dat trouwens al eens flink onder de neus gewreven: -Zeg Veldwachter; hoe pep je je straks op als je oud bent en een kunstgebit hebt? Op die manier gaat je hele pensioen nog naar de tandarts!

Met opeengeklemde kaken en een woedende uitdrukking op zijn gezicht die onvoorstelbaar is voor zo’n aardige kerel als hij, kijkt Georges naar de boule die hij moet schieten; zijn blik is dodelijk. Als de boule het woeste gezicht van de tireur had kunnen zien, zou hij er van schrik alleen al vandoor zijn gegaan. De Veldwachter schiet dus en mist drie keer op rij. Gaby kijkt hem aan: -Wat is er met jou aan de hand? Nou, daar schieten we mooi mee op! Georges stampvoet op de grond: -Ik kan niet schieten, ik heb mijn stofdoekje niet bij me! -Kom, kom, je stelt je aan, dat is alleen maar inbeelding. Je kunt best zonder je doekje schieten, je moet er alleen niet aan denken!

De tweede werpronde, op een paar details na een natuurgetrouwe kopie van de eerste. De Veldwachter mist weer drie keer op een manier waar een beginneling zich voor zou schamen. Sip en beteuterd als een klein kind dat voor zijn moeder staat nadat het een dure vaas heeft gebroken, loopt de machteloze schutter met terneergeslagen ogen in de richting van zijn kameraad en mompelt: -Ik kan er niks aan doen, zonder mijn doekje raak ik niks!

Voor petanquespelers bestaat er altijd een reddende engel, dat is algemeen bekend. Een speler die net verloren heeft, zal er zijn toevlucht bij zoeken. Gaby pakt hem in het voorbijgaan beet. -Leen me jouw doekje. -Ja, maar ik moet het wel van je terug krijgen. -Natuurlijk, het is wel niet veel fraais maar altijd beter dan niks. Als hij bij de Veldwachter terugkomt, geeft hij hem zijn doekje. De derde werpronde is in volle gang.

-Jij moet Veldwachter, je moet schieten. De Veldwachter stapt de cirkel in, pakt een boule, wrijft hem flink op… en mist. Nieuwe boule, verwoed opgepoetst, weer mis. Gaby barst los: -En wat nu, stomkop, je ziet nu toch zelf ook wel dat het niet aan je doekje lag. Je mist omdat je een uilskuiken bent. -Dat is het niet, Gaby, dat is het echt niet. Ik zweer je dat ik me prima voel. Ik zou ze moeten opvreten die boules, vandaag! Zijn stem verheft zich met ieder woord. -En hoe komt het dan wel dat je een vrachtwagen vol gemist hebt… je schiet alleen maar gaten in de lucht! -Het komt door mijn doekje! -Je hebt er nu toch een, of niet soms? schreeuwt Gaby. -Maar dat is de mijne helemaal niet! brult de Veldwachter het uit.

Bron: VOLLE ZON OVER HET PETANQUE door Otello

John