Iedere middag, zo rond de klok van twee, beginnen op de boulodromes in het zuiden van Frankrijk de petanquepartijtjes van de 65-plussers. Het Provençaalse dialect – de taal van de natuur – geeft extra fleur aan de kwinkslagen die voortdurend over en weer vliegen. Het is de voorgeschreven taal tot een uur of vijf, het tijdstip waarop de partijen ophouden omdat de spelers moe beginnen te worden, de kleinkinderen van school moeten worden gehaald of omdat het tijd is voor hun dagelijkse portie pillen. Je moet ze eens horen, die oudjes, hoe druk ze zich om hun partijtjes maken. Er wordt helemaal nergens om gespeeld, zelfs nog niet om een sigaret. Toch wil niemand verliezen en nog voordat de eerste boule gegooid is, zijn ze al heftig aan het redetwisten. Hun woordgebruik daarbij is nogal eigenaardig: -Jullie zijn samen 221, wij 232. Dat is toch geen partij voor ons! Die getallen slaan op de gezamenlijke leeftijd van de drie teamgenoten. Het belang ervan is voor iedereen overduidelijk: het is de eerlijkste manier om de sterkte van de teams vast te stellen.

Gustave wil vandaag met Eugène spelen. Iedereen valt hem daarop aan. -Altijd als er een jonger iemand bij is, wil jij met hem spelen! Eugène wordt als een jonge vent beschouwd omdat hij per slot van rekening pas 68 is. De oudste van het stel, 82 jaar, zegt me trots: -Kijk jongen, mijn team telt vandaag een rond getal: 240. Da’s mooi hè? -En wie gaat er schieten? -Ho, wacht even, we zijn niet helemáál gelijk. We hebben een eerste pointeur, een tweede pointeur en een derde pointeur! Aandachtig volg ik een van hun partijen. ’t Is een verademing om ze zo bezig te zien, een ware terugkeer naar de natuur, naar de zuivere lucht, naar het pure bronwater. Het gaat er heel braaf en gemoedelijk aan toe en er valt nog niet één onvertogen woord. En onophoudelijk delen ze kleine plaagstootjes uit, als krenten in de pap, geestig en vol milde ironie en nooit venijnig bedoeld.

Het spel is net begonnen. Er wordt veel geplaatst en nauwelijks geschoten. De beruchte neiging van veel spelers om te vaak te schieten –de maladie du fer, de ijzerziekte –kennen ze niet, of liever gezegd, niet meer. Maar toch, soms valt er niet aan te ontkomen als een boule op geen enkele manier te winnen is. En dan nog slechts na lang overleg of er werkelijk niets anders te doen valt. De behendigheid is er nog steeds, alleen de kracht ontbreekt. Een geraakte boule gaat dan ook nooit ver weg. De man die in een van de teams de taak op zijn schouders heeft gekregen om te schieten, mist voortdurend, hij is nog niet op temperatuur: -Je hebt steeds meer tijd nodig om in stelling te komen! zeggen zijn kameraden tegen hem. Het is waar, het gaat moeizaam, maar ze tonen geen enkel blijk van ongeduld. Wel van veel berusting en gelatenheid, want langzaam maar zeker komen ze toch op dreef. Daar heb je ze trouwens al, links en rechts valt er een schampschot. Heel zachtjes en vrijwel geluidloos. Als twee boules elkaar raken, hoor je niks… of zowat niks. De tireur van de tegenpartij is lang niet slecht. Hij raakt ze heel voorzichtig, alsof hij ze wil liefkozen. En hij schept er ook nooit over op. Hij staat daar in de cirkel, met nog één boule in de hand, de laatste van de werpronde.

Zijn medespeler neemt een besluit: -Je kunt schieten, Pierre, die daar (hij wijst de boule met zijn voet aan). Met een carreau voor drie. Al zijn wijsheid openbaart zich echter in dat éne zinnetje, ternauwernood te verstaan: -Zeg liever voor twee, als ik raak. Het is het meest haalbare dat hij redelijkerwijs kan verwachten. De partij gaat verder, in een slakkengangetje, rustig aan en met lome bewegingen, rijkelijk overgoten met het smeuïge sausje van het Provençaalse dialect. In schril contrast daarmee trekken hoog in de lucht straalvliegtuigen lange witte sporen langs de hemel. De mensen die daarboven voorbij jakkeren, zullen op een dag ook boules rond een but werpen, maar met heel wat minder haast. Zo is het leven nu eenmaal: het ene moment hollen en dan weer lang stilstaan. Pierre heeft daarnet tweemaal een boule geschampt, zijn milieu moet schieten. Het is zijn eerste schot vanmiddag en op zijn leeftijd zijn de eerste boules altijd het moeilijkst. Hij wijst zijn medespelers op het lastige probleem en het woord valt opnieuw: ik ben nog niet op temperatuur. En het op temperatuur komen is hoe dan ook het grootste probleem op die leeftijd. -Ga je gang toch maar, zegt Pierre. Twee keer mis. -Ik wist van tevoren al dat ik twee keer zou missen, verzucht de onhandige speler. Ik ben nog lang niet warm. Inhakend op het gestuntel van zijn teamgenoot kaatst Pierre hem meteen de bal terug: -Maar natuurlijk, we wisten best dat je twee keer zou missen.

Geknipoog en gegrinnik over en weer. Door zijn onbeholpenheid verliest het team van Pierre de werpronde. De pointeur van de tegenpartij, een sluwe ouwe vos, heeft een plek vol steentjes ontdekt. Hij gooit het but er precies middenin, want, ik heb het u al verteld, Pierre raakt weliswaar veel, maar altijd heel zachtjes, zonder kracht, alsof het hem zelf pijn doet. Op dit stuk terrein waar een boule nauwelijks rolt, kan hij op geen enkele manier een boule van de tegenpartij ver weg schieten. De ouwe vos maakt een punt op dertig centimeter vóór het but. Pierre schiet en maakt een schitterende carreau… maar de boule is te zacht geraakt, wordt afgeremd door het grind en blijft bij het but liggen. Het punt is dus nog beter geworden. Door dit onverwachte resultaat wordt Pierre gedwongen nog een keer te schieten. Opnieuw raakt hij te zacht en komt de andere boule niet of nauwelijks in beweging. Iedereen grinnikt bij het zien van een boule die tweemaal geraakt is en niet meer dan zo’n veertig centimeter van zijn plaats is gekomen. De tegenstander van Pierre wil laten blijken hoe handig hij wel was: -Mooie bal, Pierre, je speelt lang niet gek zeg! Jij zult vast geen boule aan diggelen gooien. Moet je horen, het schiet me net te binnen, als jij in de oorlog van ’14-’18 je granaten net zo hard gegooid had als nu je boules, zou je een veel groter gevaar voor de Fransen dan voor de Duitsers zijn geweest! En zo gaat het maar dooi; heel kalmpjes aan, rustig voortkabbelend, zonder de geringste inspanning… tot de klok van vijf, nou en of!

Bron: VOLLE ZON OVER HET PETANQUE door Otello

John