Bimbo van Toulon: een van de meest gehaaide spelers die ik ooit ben tegengekomen in het boulespel. Omdat het leeftijdsverschil te groot was, heb ik hem nooit goed leren kennen. Op het moment dat ik met spelen begon en hem voor het eerst zag, was zijn bouleloopbaan ten einde gekomen. Hij speelt nu als pointeur, maar wat voor een! En wat een kennis van het spel en van de spelers. Het is in de loop van de namiddag, op de Place Saint-Roch. Bimbo wacht geduldig op een gelegenheid om een onnozele hals te grazen te nemen voor een partij. Er zijn niet veel mensen, we praten dus wat. Hij is al zo oud en ik nog zo jong, dat er als vanzelf sympathie tussen ons ontstaat. Op de voor hem zo eigen achteloze en ietwat vermoeide wijze legt hij me een groot aantal van zijn trucjes uit. Zijn accent is dat van Italianen die pas op latere leeftijd naar Frankrijk zijn gekomen en nooit behoorlijk Frans hebben leren spreken, zelfs niet na dertig of veertig jaar.

Al naar gelang het hem uitkomt, gooit hij Frans, Italiaans en Provençaals door elkaar. Zelfs met gebruikmaking van dit drievoudige register heeft hij nog de allergrootste moeite om zich goed uit te drukken. -Spreekt u maar Italiaans, dat versta ik ook, zeg ik om hem op zijn gemak te stellen (Otello is van Italiaanse afkomst). -M’n jochie, ik weet het niet meer, mijn hoofd is er niet meer zo bij. Met zijn linkerhand helemaal open ter hoogte van zijn gezicht legt hij me het boulespel uit. Er zijn veel verwaande kwasten, spelers met kapsones, dat zijn de beste klanten. Als je een beetje geduld hebt, kun je ze hun poeha duurbetaald zetten, dat is niet zo moeilijk. Met zijn wijsvinger tikt hij zachtjes op zijn borst. -Als jij ’t te hoog in je bol had, zou je ’t ook moeten bezuren. Geduldig legt hij me uit hoe je een partij het best kunt aanpakken. Je moet je hersenen gebruiken. En hij tikt me op m’n voorhoofd: -Gesnopen, jochie? Oh ja, zeker, want ik ben al 16 jaar (Otello is geboren in 1920, het verhaal speelt zich dus af in 1936) en ik heb er nog niks van begrepen: ik doe dus maar alsof. Hij lijkt me vandaag zo aardig dat ik hem eindelijk de vraag durf te stellen die me al geruime tijd op de lippen brandt. -Maar hoe doet u dat nu, Donato, als u zo vriendelijk wilt zijn, om al die steentjes op het terrein van uw tegenstander te laten vallen? Ik weet dat ik hier aan zijn grote geheim kom. Hij is immers links en het is me opgevallen dat er op kritieke momenten, tegen het einde van een partij bijvoorbeeld, plotseling op mysterieuze wijze steentjes tevoorschijn komen op de donnée van een rechtshandige tegenstander.

Hij maakt een vaag gebaar met zijn hand alsof hij de vraag wil ontwijken. Ik blijf echter aandringen in de hoop hem zijn geheim te ontfutselen. Eindelijk neemt hij een besluit, trekt een cirkel en haalt een but uit zijn zak. Hij werpt het uit en zegt me dat ik mijn terrein moet prepareren. Ik maak mijn donnée dus schoon en haal wat obstakels weg die op mijn rechtshandige traject liggen. Als ik daarmee klaar ben, loopt Bimbo van de cirkel naar het but en doet net alsof hij het terrein aan het verkennen is. Als hij bij me terug is, ligt mijn speelterrein bezaaid met tientallen steentjes. -Heb je het door, jochie? Nee, ik heb niks gezien. Hij komt op me af en kijkt nadrukkelijk om zich heen. Hij pakt me bij een arm en neemt me mee achtereen dikke plataan.

Terwijl hij zijn riem losmaakt, opent hij zijn broek en weet je wat ik zie? Grof gestikt, want hij heeft het zelf gedaan, is er in de oorspronkelijke broekzak een tweede zak bij genaaid. Deze zak is vol kleine steentjes die straks, als hinderlijk gruis voor de tegenstanders, over het terrein moeten worden gestrooid. De echte zak is aan de onderkant met grote halen opengeknipt. Terwijl Bimbo over het terrein loopt, steekt hij heel onschuldig zijn hand in de bijgemaakte broekzak, pakt een paar steentjes en laat die door de echte, opengeknipte zak heen vallen. Ze zakken langs zijn been en door zijn broek omlaag, glijden langs zijn sok en rollen op zijn schoen om uiteindelijk op de donnée van zijn tegenstander terecht te komen. Ik moet er hartelijk om lachen. Bimbo, die nu pas goed op dreef is gekomen, begrijpt niets van mijn hilariteit.

Het is een heel karwei, maar het loont wel degelijk de moeite, O ja! Maar wat zal hem dat een boel geld gekost hebben! Oei, oei, oei! Ik begrijp het nog steeds niet helemaal. Hij legt me uit dat hij er wat op gevonden heeft: tegenwoordig stopt hij al zijn geld in zijn linkerbroekzak. Maar toen hij er in het begin nog niet aan gewend was, vergat hij het wel eens en stak hij zijn kleingeld, of zelfs bankbiljetten, in zijn rechterbroekzak. Overbodig om uit te leggen dat dat geld dan foetsie was, want niet een van zijn broeken had een dichte zak. Arme Bimbo! Bij zijn begrafenis waren er maar drie mensen aanwezig. Drie, nog niet eens vier. Terwijl hij nog wel de vijfvoudige winnaar was van Le Provençal en toen met heel wat meer publiek!

Bron: VOLLE ZON OVER HET PETANQUE door Otello

John