Het Parc Municipal –het Stadspark van Lodève –is het dagelijkse trefpunt van de boulespelers van het fraai gelegen stadje in het hart van de Languedoc in het departement Hérault. Het meest schaduwrijke gedeelte van het park is het territorium van de petanquespelers. Terzijde van hun domein bevindt zich een afgezet terrein van zo’n twintig bij dertig meter waar jeu Lyonnais, het spel met de grote boules, wordt beoefend. Tegen vier uur in de middag zijn er doorgaans zo’n tien partijen aan de gang, allemaal keurig gescheiden al naar gelang de leeftijd van de spelers. De alleroudsten, de zeventigplussers, zijn al vroeg in de middag begonnen en hebben hun vaste plek in het park. Een uur na hen, zo rond de klok van drie, verschijnen de zestigers en wanneer alle laatste nieuwtjes zijn uitgewisseld, gaan ook zij aan de slag.

Weer een uur later is het de beurt aan de spelers van middelbare leeftijd, tussen de vijfendertig en zestig jaar. De echte cracks, les gros bras, verschijnen pas tegen vijven ten tonele, het tijdstip waarop de meeste zeventigers vermoeid huiswaarts keren. Naar hun dagelijkse portie pillen en de kleinkinderen die terug uit school zijn, zoals Otello het eerder beschreef. Tegen acht uur vertrekken de laatste spelers voor de maaltijd thuis. Een uur later zijn ze weer terug voor het avondtoernooi dat bijna dagelijks plaatsvindt. Hoewel ze wel altijd aanwezig zijn om de jongere spelers in actie te zien en aan te moedigen, doen de oudjes zelden of nooit mee aan deze toernooien. Zij spelen alleen maar in overdag. César is die middag ook van de partij en is een van de wat oudere spelers. Maar omdat hij nog te jong is voor de alleroudsten, doet hij met de groep daaronder mee. Vrijwel zonder uitzondering zijn het nog zeer bedreven spelers. De partijen die ze spelen zijn niet zomaar voor de gezelligheid, om de donder niet! Er wordt immers om geld gespeeld. Weliswaar is de inzet niet al te groot, slechts één franc de man, maar het gaat wel degelijk ergens om. Ook het tiental toeschouwers aan de kant is daarvan doordrongen.

César, de beminnelijkheid zelve, is een minder getalenteerd speler. Hij heeft een natuurlijke afwijking in zijn arm die door doorgewinterde boulespelers la main, het handje, wordt genoemd. Geen van zijn boules gaat recht op zijn doel, het but, af. Iedere boule die hij plaatst gaat voortijdig linksaf. Gigi, de tireur van het team van César, is ook niet meer een van de jongsten maar nog wel een zeer behendig speler. Hij wijst César er voortdurend en met nadruk op dat hij nature, dat wil zeggen, gewoon en zonder effect moet spelen. -Maar ik speel gewoon, ik speel toch recht, verdedigt César zich. Er is zojuist een nieuwe werpronde begonnen. César moet plaatsen, maar net zoals al zijn vorige boules, wijkt ook deze weer naar links af. -Speel eens zonder effect, houdt Gigi hem nogmaals voor. César speelt zijn tweede boule, ook deze draait naar links weg. Wanhopig heft Gigi zijn armen ten hemel. -Ik heb mijn hand helemaal niet gedraaid, reageert César, het komt omdat het terrein daar schuin afloopt dat mijn boules steeds zo afwijken.-Maar er is daar helemaal geen helling! roept Gigi verbouwereerd uit.-Jawel, toch wel, zegt César, een heel flauwe, maar je ziet hem bijna niet. Gigi kijkt hem stomverbaasd aan. Een van de omstanders die het tafereel heeft gevolgd, krijgt medelijden met de arme César en schiet hem te hulp: -Het kan allemaal best waar zijn wat jullie zeggen, maar César heeft niet helemaal ongelijk… je moet weten, zijn boules zijn namelijk supergevoelig!

Bron: VOLLE ZON OVER HET PETANQUE door Otello

John